maandag 2 juli 2018

Meer dan 700 wetenschappers roepen collega's op tot protest tegen Europees militair onderzoeksprogramma

Een coalitie van meer dan 700 wetenschappers en academici uit 19 EU- landen vragen de Europese Unie om de financiering van militair onderzoek stop te zetten en roepen collega's op hen hierin te steunen. De 700 waarschuwen voor de gevolgen van een programma voor onderzoek en ontwikkeling van nieuwe wapentechnologieën. "Als EU-fondsen worden
geïnvesteerd in militair onderzoek zal dat niet alleen financiële steun onttrekken aan meer vreedzame onderzoeksgebieden, maar kan dat ook wapenwedlopen stimuleren, wat de veiligheid in Europa en de rest van de wereld ondermijnt", zegt dr. Stuart Parkinson, Executive Director bij Scientists for Global Responsibility.

Europa kent een lange traditie van wetenschappelijke innovatie, waarin onderzoeksprogramma's een krachtig beleidsmechanisme bleken. Maar de EU moet keuzes maken over het soort onderzoek dat ze wil financieren. Elke euro kan maar één keer worden uitgegeven. De Europese Unie zou zich beter kunnen concentreren op investeringen in civiele onderzoeksterreinen die de levenskwaliteit van Europese burgers verbeteren, gezondheids- en milieuproblemen aanpakken en bijdragen aan stabiliteit en gelijke kansen in onze samenleving.

"De investeringen in militair onderzoek zullen vrede en veiligheid niet doen toenemen, in tegendeel. Internationale spanningen zullen juist verergeren. Ondertussen wordt wetenschappelijk onderzoek dat effectief kan bijdragen tot conflictpreventie verwaarloosd," aldus dr. Parkinson.

dinsdag 10 april 2018

Common Position beter dan niets, maar niet goed genoeg


De landen van de Europese Unie hebben een gezamenlijk wapenexportbeleid. In een Common Position hebben ze vastgelegd dat voor export van militaire goederen en technologie vanuit een EU-land een vergunning moet worden aangevraagd bij de overheid van dat land. Ambtenaren uit de Europese lidstaten stemmen het nationale beleid hierover af in Raadswerkgroep Coarm (Conventional Arms export). Voordat de vergunning wordt afgegeven, wordt getoetst aan acht criteria op het gebied van onder meer mensenrechten, oorlogsdreiging, armoede en doorvoerrisico. Hiermee is een norm vastgelegd voor een verantwoord wapenexportbeleid.

Helaas is de norm weinig verplichtend. Hoewel de Common Position duidelijk bedoeld is om te voorkomen dat wapens worden geleverd aan mensenrechtenschenders of oorlogvoerende landen is de tekst zodanig opgezet dat er altijd wat ruimte voor interpretatie overblijft. Landen willen nu eenmaal graag zelf bepalen of en aan wie ze wapens verkopen; wapenexportbeleid is buitenlands- en defensiebeleid en de bevoegdheid daarover ligt nog altijd bij de lidstaten. Behalve wanneer sprake is van een wapenembargo; dan is export echt verboden. Maar ook de teksten van wapenembargo's laten vaak ruimte om bepaalde leveringen toch toe te laten. Zo gelden wapenembargo's vaak niet voor contracten die al zijn afgesloten. Of alleen voor bepaalde krijgsmachtonderdelen.


De Common Position is dus niet waterdicht, sommigen menen zelfs dat hij zo lek is als een mandje. Anti-wapenhandelgroepen voeren al jaren campagne voor een strikte interpretatie.Door de opzettelijk wollige formulering is een streng beleid juridisch uiterst moeilijk afdwingbaar. In de praktijk verschilt het per land, en per regering, hoe het Europese wapenexportbeleid wordt uitgevoerd. Een land als Frankrijk gaat berucht ruimhartig met de regels om, maar de Franse minister van Defensie is dan ook van mening dat de Europese wapenindustrie niet kan overleven zonder export. Dat je door grootschalige wapenexport je eigen vijanden voor de toekomst creëert is blijkbaar van minder belang.

Op dit moment is er ruimte voor verbetering van de Europese regels. Elke vijf jaar moet er namelijk een 'review' plaatsvinden van de Common Position om te kijken of op grond van ervaring aanpassingen nodig zijn. Nederland speelt een voortrekkersrol in het agenderen van deze 'review'. De regering meent dat mensenrechten en vrede een plaats moeten hebben in het wapenexportbeleid. Hoewel Nederland zelf de regels ook wel eens wat ruim uitlegt als er veel te verdienen valt. Het belangrijkste vindt Nederland echter dat Europese landen de regels allemaal hetzelfde moeten toepassen, het 'level playing field'. Het is namelijk nogal lullig als je zelf op grond van de regels besluit iets niet te exporteren en het buurland gaat er dan met de klandizie vandoor. 
 
Regelmatig duiken er voorstellen op om het hele wapenexportbeleid van nationaal naar Brussels niveau te tillen. Sommigen menen zelfs dat het wapenexportbeleid moet worden ingezet om een gemeenschappelijk Europees Buitenlands- en Veiligheidsbeleid te stimuleren. Maar het is juist vooral via nationale parlementen dat wapenexporten kritisch worden doorgelicht. Een waakhondfunctie die het Europees parlement, met zijn beperkte bevoegdheid, niet snel zal kunnen overnemen. Bovendien bestaat het risico dat bij meer 'harmonisatie' de minimaalste gemene deler de nieuwe norm wordt. Dan zou er van een verantwoord wapenexportbeleid weinig meer overblijven.

 
Sommige Europese landen lijken nu eenmaal het liefst zo min mogelijk wapenexportcontrole te willen. Ook veel wapenbedrijven vinden het maar lastig. Het speelt bijvoorbeeld nu Frankrijk en Duitsland samen een nieuw gevechtsvliegtuig willen ontwikkelen ter vervanging van de Franse Rafale en de Duits/Brits/Italiaanse Typhoon. Daarbij moeten onder meer de wapenbedrijven Airbus, Thales, MBDA, Dassault en Safran een rol gaan spelen. Maar Duitsland voert een strenger wapenexportbeleid dan Frankrijk. Lastig, vind Frankrijk. Kunnen die regels niet een beetje uit het verhaal geschreven worden? Het dreigt te gebeuren nu de Europese Commissie neemt stappen tot het stimuleren van gezamenlijke Europese wapenprojecten. In de beleidsstukken hierover speelt de Common Position geen enkele rol.

De Common Position is een minimumstandaard; individuele EU landen mogen het aanvullen met eigen beleid. Voor een herziening zijn de verwachtingen niet hooggespannen. Veel landen voelen niets voor aanscherping. Men wil wel controle, maar geen beperking van de wapenexport. Dat is jammer, want de Common Position in zijn huidige vorm is beter dan niets, maar niet goed genoeg.

donderdag 22 februari 2018

Dit zeggen leden van het Europees parlement ....

Gisteren stemde de meerderheid van de Commissie voor Industrie, Onderzoek en Energie van het Europees parlement in met het Defensie Industrie programma van €500 miljoen voor ontwikkeling van geavanceerde militaire technologie. Hoewel dit wordt gepresenteerd als 'defensie' is het doel het versterken van de concurrentiepositie en de exportcapaciteit van de wapenindustrie. De hoop is dat het gezamenlijke Europees parlement het programma kritischer en verstandiger zal beoordelen. Er is wel degelijk oppositie, ook van Europarlementsleden. Nadat meer dan 142.000 Europeanen een petitie ondertekenden tegen deze subsidie voor de wapenindustrie spraken we met verschillende leden van het Europees Parlement. Dit is wat ze zeiden:

Martina Werner – Europees parlementslid voor SDP Duitsland. Lid van de Parlementaire Commissie voor Industrie, Onderzoek en Energie:

“We geven in Europa bijna 200 miljard euro per jaar uit aan bewapening uit. Volgens mij hebben we vooral kostenbesparing nodig in de Europese defensie-industrie. Dit programma voor de defensiesector bevordert juist meer economische vraag. En in plaats van over efficiëntie en het afbouwen van dubbele structuren te spreken, wat volgens mij nodig is en wat Pesco (Permanent Structured Cooperation, Europese samenwerking voor veiligheid en defensie) eigenlijk zou moeten zijn, versterkt dit programma de concurentiekracht en daarmee subsidieren wij met de EU de groei en export van een sector die daar niet op is aangewezen.”

Reinhard Bütikofer – Europees parlementslid voor Groenen Duitsland. Schaduwrapporteur voor het Defence Industrial Development Programm:


 “De EU-verdragen verbieden officieel dat de instituties geld geven aan de defensiesector. Dat is waarom de Commissie zich probeert te verstoppen achter zijn bevoegdheid om industriële concurrentiekracht te bevorderen. Ik geloof dat wat ze nu doen niet de concurrentiekracht bevordert maar een nieuwe ronde subsidies aan de industrie uitdeelt.
We geven al veel te veel geld uit aan de defensiesector. Als je alles bij elkaar optelt geeft Europa drie keer zoveel uit als Rusland. Het probleem is niet dat we te weinig besteden, het probleem is dat we het geld verspillen.
De Commissie stelt dat we wel tot 1 miljard per jaar kunnen besparen als er een minimale mate van concurrentie zou zijn in de defensiesector. Dus vanuit het gezichtspunt van industriepolitiek slaat het nergens op.
En ten derde zou het ook heel dom zij, omdat de financiering moet worden weggehaald bij andere waardevolle onderzoeksprojecten zoals 'Connecting Europe”. Dus we halen geld dat we niet hebben uit de ene zak en stoppen het in de zak van de defensielobby. Daar zijn wij tegen.”

Meer reacties op het kanaal van WeMoveEU

woensdag 24 januari 2018

Meer dan 142.000 Europese burgers roepen de EU op: Investeer niet in wapens


Deze week hebben vertegenwoordigers van het Europees Netwerk tegen Wapenhandel en het online actieplatform WeMove.EU meer dan 142.000 handtekeningen overhandigd aan leden van het Europees Parlement en het kabinet van EEAS (European External Action Service) voorzitster Mogherini. Daarmee werd opgeroepen om geen Europese subsidies te geven aan de wapenindustrie. Europees geld kan beter gebruikt worden voor maatregelen om oorlog te voorkomen, zoals klimaatbeleid en ontwikkelingssamenwerking. Bovendien is de Europese Unie een effectieve 'soft power'; goed in diplomatie, onderhandeling en het tot stand brengen van internationale verdragen. Geld investering in onderzoek naar nieuwe wapens draagt niet bij aan vrede en veiligheid, en nieuwe wapentechnologie zal leiden tot nog meer wapenexport. Het idee dat Europese wapenfinanciering zal leiden tot minder 'doublures' in wapenproductie (er worden binnen Europa meerdere types van dezelfde wapensystemen ontwikkeld en geproduceerd, wat economisch inefficient is) lijkt nogal onwaarschijnlijk. Het is een politieke keuze van nationale lidstaten om een eigen wapenindustrie in stand te houden (Nederland kiest bijvoorbeeld voor een sterke nadruk op marine-industrie) die niet is ingegeven door economische motieven. Pas als binnen Europa meer gezamenlijke visie op vrede en veiligheid wordt ontwikkeld, kan worden gekeken naar welke middelen daarvoor nodig zijn. Geld geven aan de wapenindustrie zonder politieke inbedding is fijn voor de wapenindustrie, maar helpt het Europese vredesbeleid niet verder. Europese burgers moeten bij dit proces betrokken worden.

Het Europees Netwerk tegen Wapenhandel heeft een online informatiemodule ontwikkeld met achtergrondinformatie over de EU subsidies voor wapenproductie.

donderdag 7 december 2017

Oproep EU wapenembargo naar Saoedi-Arabië; leveranties gaan door


Vorige week nam het Europese Parlement met 539 stemmen voor en 13 tegen (81 onthoudingen) een resolutie aan die de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid omslachtig aanspoort een proces te beginnen om te komen tot een wapenembargo tegen Saoedi-Arabië.

Eerder circuleerde een concept resolutie. Die tekst deed zijn naam meer eer aan; ze was een stuk resoluter. Ze ijverde voor een wapenembargo naar Saoedi-Arabië en haar bondgenoten in de strijd tegen Jemen. Die coalitie bestaat uit Marokko, Egypte, Jordanië, de VAE, Koeweit, Qatar, Bahrein en Soedan (de VS neemt op afstand deel). Deze concepttekst luidde:
Het Parlement:
levert felle kritiek op de intensieve wapenhandel die lidstaten, zoals het VK, Spanje, Frankrijk en Duitsland, bedrijven met diverse landen in de regio; dringt aan op de onmiddellijke stopzetting van wapenleveringen en militaire steun aan Saudi-Arabië en zijn coalitiepartners; roept de Raad nogmaals op een EU-embargo op de uitvoer van wapens naar Saudi-Arabië in te stellen, gezien de ernstige beschuldigingen van schendingen van het internationaal humanitair recht door Saudi-Arabië in Jemen, en gezien het feit dat het blijven verlenen van vergunningen voor wapenverkoop aan Saudi-Arabië dus in strijd is met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 ”

Opmerkelijk genoeg werd er met vingers gewezen naar Duitsland, Frankrijk, Spanje en het Verenigd Koninkrijk. Altijd goed om boosdoeners bij naam te noemen, maar diplomatiek is het niet. Dat verdween dan ook uit het eindresultaat. Belangrijker: ook inhoudelijk valt er wel wat op af te dingen. Er zijn een aantal leverende landen vergeten. Precies in die week speelde er bijvoorbeeld een Griekse levering. Ook de verwijzing naar de coalitiepartners in de Saoedische oorlog verdween in de definitieve tekst. Maar dat bijna het hele Europese parlement voorstander is van een wapenembargo tegen Saoedi-Arabië is hoopgevend. Het is nu aan nationale parlementen om hier uitvoering aan te geven.

Maar niet alle wapenhandel is duidelijk zichtbaar. Bij grote militaire aankopen is er vaak sprake van constructies waardoor afnemende landen tegenopdrachten krijgen (participatie en/of compensatie heet dat). Een dergelijke constructie bestaat ook bij het grootste wapenproject van het moment: de ontwikkeling, productie en het onderhoud van de F-35 Lightning II, nog steeds beter bekend als Joint Strike Fighter of JSF. Alleen al voor de Verenigde Staten gaat het om 400 miljard dollar voor aanschaf en 1.000 miljard dollar om deze vliegtuigen in de lucht te houden. Het programma kent verschillende partnerlanden.

De wapenindustrie in deze partnerlanden maakt delen voor het grotere systeem die vaak elders worden geassembleerd. Soms mogen landen al deelnemen voordat hun overheid besluit het vliegtuig te kopen. België heeft nog niet besloten, maar het in Zaventem gevestigde Asco is al wel beloofd dat het delen van de vleugelkleppen voor de F-35 mag maken. Deze worden dan geleverd aan Fokker GKN in Nederland, die ze verwerken in de vleugelkleppen zelf. Daarna gaan ze naar Lockheed in de Verenigde Staten, waar ze worden bevestigd in F-35's voor het Pentagon, maar ook voor de export.

Die exportbestemmingen zijn de partnerlanden in het Lockheed F-35 programma en daarnaast een groeiend aantal klanten in de wereld. Toeleveranciers in alle negen partnerlanden (Australië, Canada, Denemarken, Italië, Nederland, Noorwegen, Turkije, VS en VS) produceren onderdelen voor alle vliegtuigen, niet alleen voor het eigen land. F-35 onderdelen worden geëxporteerd en dus is wapenexportcontrole aan de orde.

Dat het programma wrikt met het EU Gemeenschappelijk Standpunt is al snel duidelijk, alleen al omdat Turkije tot de negen behoort. Ankara staat bekend om zijn regelmatige inzet van gevechtsvliegtuigen in de luchtruim van buurlanden en tegen de Koerden (zowel tegen militaire als civiele doelen). Onlangs werd de Turkse deelname om heel andere redenen aan de kaak gesteld. Dat was omdat het luchtverdedigingsraketten kocht in Rusland, en dat wordt door de NAVO om een aantal redenen als onwenselijk beschouwd. De positie in het F-35 programma werd door de Verenigde Staten als pressiemiddel gebruikt in een poging Turkije van de Russische aankoop te laten afzien. Maar de betrokkenheid van Turkije is ook vanuit mensenrechtenoogpunt controversieel. Zo vroegen de Duitse Linke om een totaal verbod op wapenleveranties aan Turkije, net als de Grünen tijdens de inmiddels afgebroken Jamaica-coalitie onderhandelingen.

Naast partnerlanden zijn er ook nog landen die de F-35 kopen binnen het Foreign Military Sales (FMS) programma van de VS, waaronder Israël. Net als Turkije is Israël allerminst terughoudend als het gaat om de inzet van gevechtsvliegtuigen tegen buurlanden zoals Syrië en in 'interne' kwesties zoals de regelmatig voorkomende bombardementen van Gaza.

Landen die geen partner zijn of niet deelnemen in FMS kunnen de gevechtsvliegtuigen kopen als normale klanten. België, Finland en Duitsland lijken geïnteresseerd. En recent vertelde de ondercommandant van de Amerikaanse luchtmacht, generaal Stephen Wilson, aan tidschrift Flight Global dat de VS in de Golf rondkijken naar potentiële klanten voor de F-35. Gedacht wordt allereerst aan de Verenigde Arabische Emiraten. “Dat betekent dat gesprekken gaande zijn met de Regering [Trump] rond de verkoop van de F-35 naar bondgenoten die ze nodig hebben en willen hebben.”

Ook Bahrein, het autoritaire schiereilandstaatje dat met een dam is verbonden met Saoedi-Arabië, wordt gezien als een potentiële klant voor de F-35. In Amerikaanse militaire tijdschrift Defense News wordt gesteld dat ze de verouderde F-5's and F-16's van de Bahreinse luchtmacht kunnen vervangen (ook al is deze vloot net voorzien van verse gevechtsvliegtuigen in een deal ter waarde van 3,8 miljard dollar).

Bahrein en de VAE nemen beide deel in de coalitie die onder leiding van Saoedi-Arabië oorlog voert in Jemen. Ze zijn daar beiden betrokken bij luchtmachtoperaties. Bahrein verloor in december 2015 zelfs een gevechtsvliegtuig. De Emiraten brachten recentelijke het bericht naar buiten dat twee piloten zijn gesneuveld: “Ze stierven bij het doen van hun plicht tijdens hun inzet in Jemen.

Hoewel de rampzalige gevolgen van de Saoedische luchtoorlog voor de Jemenitische bevolking en infrastructuur algemeen bekend is, wordt zelfs gedacht aan de verkoop van de F-35 aan Riyad. “De VS zou zelfs overwegen de F-35 aan de Saoedisch te verkopen als die geen gevaar zijn voor Israël.” aldus Simon Henderson, directeur van het Gulf and Energy Policy Programme van het Washington Institute. Ook bij de verkoop aan de VAE wordt de impact voor Israël bekeken. Flight Global stelt: “Israëlische bezwaren kunnen een mogelijke verkoop van de F-35 aan de VAE verhinderen.” Het is opvallend dat bezwaren vanuit Jeruzalem doorslaggevend zijn bij het wel of niet leveren aan de Golfstaten, terwijl deze staten notabene oorlog voeren in Jemen.

Het Europese Parlement heeft al eerder resoluties aangenomen waarin lidstaten worden opgeroepen een wapenembargo tegen Saoedi-Arabië in te stellen vanwege de oorlog in Jemen. De situatie is sindsdien alleen maar verslechterd. Enkele EU lidstaten hebben een terughoudend beleid en leveren niets tot bijna niets aan het regime in Riyad. Maar zelfs deze landen kunnen ongemerkt onderdelen leveren die worden ingebouwd in gevechtsvliegtuigen voor de Saoedische oorlogscoalitie. De VS steunen openlijk de gevechtshandelingen door het bijtanken van bommenwerpers in de lucht, en zijn bereid F-35's te leveren. De landen die 'slechts' onderdelen leveren doen alsof hun neus bloed.

Belangrijke EU lidstaten produceren voor de F-35 (zie voor een tabel met meer details) en nemen volgzaam het Amerikaanse wapenexportbeleid over. En het zijn niet alleen de F-35's die aan de regio verkocht worden. Frankrijk verkoopt het Rafale gevechtsvliegtuig. Het Brits/Duits/Italiaans/Spaanse Eurofighter (EFA) consortium verkoopt gevechtsvliegtuigen aan de Saoedi's alsof er geen wapenexportbeleid bestaat. De Britten nemen daarvoor de politieke fall out voor hun rekening terwijl in iedere Eurofighter ook Italiaanse, Duitse en Spaanse onderdelen zitten.

Volgende week is een wapenbeurs in Koeweit. Onder meer Damen, een van de grootste Nederlandse wapenfabrikanten, zal daar aanwezig zijn. De organisatie van de tweejarige Gulf Defense & Aerospace Exhibition meldt trots dat beurs dit jaar groter is dan http://www.gdnonline.com/Details/296957/Kuwait-defence-exhibition-grows-in-size de voorgaande editie. Ook Lockheed en Eurofighter Jagdflugzeug GmbH zijn aanwezig. De Britten houden het bij een afvaardiging van MBDA, zodat je de Europese raketten voor de vliegtuigen kan bekijken. Een resolutie in het Europees Parlement om wapenexporten te stoppen vanwege een wrede oorlog klinkt hol als leveranties en exportpromotie gewoon doorgaan. De EU zou zijn democratische organen en zijn mensenrechtenbeleid serieuzer moeten nemen.

donderdag 16 november 2017

Maakt 'PESCO' Europese defensie efficiënter?


In sneltreinvaart heeft de Europese Unie het afgelopen jaar een gezamenlijk defensiebeleid ontwikkeld en ingevoerd, een ‘permanent gestructureerde samenwerking’ (PESCO). Op 13 november hebben ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie hun handtekening gezet onder een verdrag dat tot doel heeft “gezamenlijk defensiecapaciteiten te ontwikkelen en beschikbaar te maken voor militaire operaties van de EU. Hiermee wordt de geschiktheid van de EU als veiligheidspartner verbeterd, hetgeen tevens bijdraagt aan de bescherming van Europeanen en aan het optimaliseren van de effectiviteit van defensie-uitgaven.”

Binnen PESCO worden verschillende zaken tegelijk geregeld. De krijgsmachten van EU lidstaten zeggen toe meer te gaan samenwerken, waardoor ze ook beter in staat zullen zijn tot gezamenlijk Europees optreden. Nederland werkt onder meer intensief samen met de Duitse landmacht en heeft een gezamenlijk commando met de Belgische marine. Een ander onderdeel van PESCO is dat wapens vaker door lidstaten gezamenlijk moeten worden ontwikkeld en aangeschaft, omdat juist het ontwikkelen van nieuwe wapens erg duur is, en het effectiever is die onderzoeks- en ontwikkelingskosten slechts eenmaal uit te geven. De lidstaten committeren zich met PESCO tevens aan een regelmatige verhoging van hun militaire uitgaven en aan het streven een benchmark van 20% van die uitgaven te besteden aan nieuwe wapenaankopen. Voor uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling van nieuwe wapens wordt een benchmark van 2% van het defensiebudget van lidstaten ingevoerd.

PESCO sluit nauw aan bij de ontwikkeling van een Europees Defensiefonds, waarvoor de plannen op dit moment uitgewerkt worden. Via dit fonds moeten de EU en lidstaten vanaf 2021 jaarlijks zo'n 5,5 miljard euro in onderzoek, ontwikkeling en verwerving van nieuwe wapens gaan steken.
De meeste mensen zullen geen bezwaar hebben tegen een zo efficiënt mogelijk gebruik van defensie-uitgaven en materieel. Maar wat op 13 november in Brussel is getekend door de defensieministers gaat wel wat verder dan dat. Met hun handtekening hebben onze ministers Nederland verplicht tot aanschaf en investering bij de wapenindustrie. Nederland mag zijn defensie-uitgaven volgens dit verdrag ook niet meer verlagen. Ook moet Nederland verplicht jaarlijks forse wapenaankopen doen. Of ze zich daar aan gaan houden is een tweede.

PESCO moet leiden tot efficiëntere besteding van defensiegeld door gestandaardiseerde Europese wapenproductie en wapenaanschaf, ter ondersteuning van de Europese slagkracht. Maar daarvoor moeten vreemd genoeg wel de defensiebudgetten omhoog. Toegegeven, de Amerikanen geven veel meer uit aan hun krijgsmacht. Er is alleen geen enkele reden om het bizar hoge Amerikaanse defensiebudget ten voorbeeld te nemen.

Of de soep allemaal zo heet wordt gegeten als Brussel hem nu opdient is trouwens de vraag. In het regeerakkoord heeft Nederland al bij voorbaat een onderdeel van het nu getekende verdrag afgezwakt. In paragraaf 4.2 van het regeerakkoord staat: ”Nederland houdt zich (…) nadrukkelijk het recht voor om bij aanbestedingstrajecten op het gebied van defensie de hiervoor relevante bepaling van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (art. 346) ruimhartig te interpreteren vanuit het perspectief van nationaal veiligheids- en economisch belang.” Met andere woorden: de Nederlandse wapenindustrie blijft voorrang houden bij aanbestedingen. Aanbesteden volgens Europese regels, wel ingevoerd op onwaarschijnlijke terreinen als jeugdzorg en thuiszorg, blijft de wapenindustrie vooralsnog bespaard.

Ook andere landen zullen hun eigen wapenindustrie niet snel op een vrije Europese markt laten concurreren. Een recent voorbeeld: in de militaire pers wordt geschreven over voorstudies voor een Europees luchtverdedigingsfregat. Het moet een samenwerkingsproject worden tussen Frankrijk en Italië die samen de schepen en raketten zullen bouwen. Een belangrijk en duur onderdeel van deze marineschepen zou de geavanceerde radar moeten worden die vijandelijke raketten kan opsporen en eigen raketten naar een doel kan leiden. Europese landen gebruiken hier nu meestal de radartechnologie van de Amerikaanse wapengigant Lockheed Martin voor, het Aegis systeem. Er is slecht één ander westers wapenbedrijf dat vergelijkbare technologie levert, en dat is Thales in Hengelo. Thales ontwikkelde de SMART-L radar, door Nederland gebruikt op door scheepswerf Damen gebouwde luchtverdedigings- en commadofregatten (LCF), en geëxporteerd naar onder meer Engeland, Frankrijk, Duitsland en Zuid-Korea. Het zou logisch zijn als Frankrijk en Italie voor hun nieuwe fregat de al bestaande Thales-radars zouden uitkiezen, Thales is bovendien gedeeltelijk in Franse handen en beursgenoteerd in Parijs. Maar de Italianen pleiten sterk voor een systeem van Leonardo (voorheen Finmecannica). Want ook voor de Italianen geldt: eigen wapenindustrie eerst. Alle Europese broederschap ten spijt, er blijft sprake van sterke onderlinge Europese concurrentie.

Het nu getekende PESCO verdrag richt zich op meer wapens en militaire capaciteit voor de EU. De wapenindustrie vaart daar wel bij, maar of het bijdraagt aan vrede en veiligheid is de vraag. De EU zou beter meer werk kunnen maken van zijn unieke 'soft power' capaciteit als diplomatie, conflictbemiddeling en vredesopbouw. Binnen het EU budget is dat een marginale post, zeker in vergelijking met de budgetten die nu voor de wapenindustrie worden begroot.

donderdag 31 augustus 2017

Geld voor vredesopbouw naar militaire training?


De Europese Commissie (de hoogste Europese ambtenaren die het meeste EU beleid voorbereiden) heeft voorgesteld om het budget voor het financieren van civiele vredesinitiatieven open te stellen voor de financiering van militaire training en uitrusting van ‘partnerlanden’. Het “Instrument contributing to Stability and Peace” kortweg IcSP is in 2014 ingesteld om projecten voor vredesopbouw, conflictpreventie, demilitarisering en democratisering te steunen. Het fonds heeft een budget van 2.338 miljoen euro voor de periode 2014-2020. Als uit dit fonds ook militaire activiteiten betaald moeten gaan worden blijft er voor de veelheid aan doelstellingen nog minder over. De Commissie heeft wel voorgesteld het fonds met 100 miljoen te verhogen om de introductie van militaire activiteiten te helpen financieren, maar ook dat geld zal bij andere budgetten moeten worden weggehaald. 

Hoewel het plan de aankoop van wapens en munitie door partnerlanden uit dit budget uitsluit is er een ‘grijze zone’ van militaire technologie en infrastructuur waar de wapenindustrie van kan profiteren. De Europese lobbyorganisatie van de wapenindustrie, de ADS, heeft dan ook positief op het plan gereageerd. De Duitse ontwikkelingsorganisatie Brod fur die Welt schrijft: Al jaren wordt geld uit ontwikkelingsbudgetten dat is bedoeld voor armoedebestrijding ingezet voor de opvang van vluchtelingen in Europese landen. Nu wil men dit geld ook nog eens gaan gebruiken voor militaire activiteiten. Op die manier blijft er weinig over om iets te doen aan de oorzaken van conflicten.
Wie die partnerlanden precies zijn en voor welke doeleinden er gefinancierd zou moeten worden is niet nader uitgewerkt, maar de Europese Raad (de gezamenlijke regeringen van de lidstaten) heeft met het voorstel ingestemd. Na de zomer moet het Europees Parlement erover oordelen.