dinsdag 10 april 2018
Common Position beter dan niets, maar niet goed genoeg
De landen van de Europese Unie hebben een gezamenlijk wapenexportbeleid. In een Common Position hebben ze vastgelegd dat voor export van militaire goederen en technologie vanuit een EU-land een vergunning moet worden aangevraagd bij de overheid van dat land. Ambtenaren uit de Europese lidstaten stemmen het nationale beleid hierover af in Raadswerkgroep Coarm (Conventional Arms export). Voordat de vergunning wordt afgegeven, wordt getoetst aan acht criteria op het gebied van onder meer mensenrechten, oorlogsdreiging, armoede en doorvoerrisico. Hiermee is een norm vastgelegd voor een verantwoord wapenexportbeleid.
Helaas is de norm weinig verplichtend. Hoewel de Common Position duidelijk bedoeld is om te voorkomen dat wapens worden geleverd aan mensenrechtenschenders of oorlogvoerende landen is de tekst zodanig opgezet dat er altijd wat ruimte voor interpretatie overblijft. Landen willen nu eenmaal graag zelf bepalen of en aan wie ze wapens verkopen; wapenexportbeleid is buitenlands- en defensiebeleid en de bevoegdheid daarover ligt nog altijd bij de lidstaten. Behalve wanneer sprake is van een wapenembargo; dan is export echt verboden. Maar ook de teksten van wapenembargo's laten vaak ruimte om bepaalde leveringen toch toe te laten. Zo gelden wapenembargo's vaak niet voor contracten die al zijn afgesloten. Of alleen voor bepaalde krijgsmachtonderdelen.
De Common Position is dus niet waterdicht, sommigen menen zelfs dat hij zo lek is als een mandje. Anti-wapenhandelgroepen voeren al jaren campagne voor een strikte interpretatie.Door de opzettelijk wollige formulering is een streng beleid juridisch uiterst moeilijk afdwingbaar. In de praktijk verschilt het per land, en per regering, hoe het Europese wapenexportbeleid wordt uitgevoerd. Een land als Frankrijk gaat berucht ruimhartig met de regels om, maar de Franse minister van Defensie is dan ook van mening dat de Europese wapenindustrie niet kan overleven zonder export. Dat je door grootschalige wapenexport je eigen vijanden voor de toekomst creëert is blijkbaar van minder belang.
Op dit moment is er ruimte voor verbetering van de Europese regels. Elke vijf jaar moet er namelijk een 'review' plaatsvinden van de Common Position om te kijken of op grond van ervaring aanpassingen nodig zijn. Nederland speelt een voortrekkersrol in het agenderen van deze 'review'. De regering meent dat mensenrechten en vrede een plaats moeten hebben in het wapenexportbeleid. Hoewel Nederland zelf de regels ook wel eens wat ruim uitlegt als er veel te verdienen valt. Het belangrijkste vindt Nederland echter dat Europese landen de regels allemaal hetzelfde moeten toepassen, het 'level playing field'. Het is namelijk nogal lullig als je zelf op grond van de regels besluit iets niet te exporteren en het buurland gaat er dan met de klandizie vandoor.
Regelmatig duiken er voorstellen op om het hele wapenexportbeleid van nationaal naar Brussels niveau te tillen. Sommigen menen zelfs dat het wapenexportbeleid moet worden ingezet om een gemeenschappelijk Europees Buitenlands- en Veiligheidsbeleid te stimuleren. Maar het is juist vooral via nationale parlementen dat wapenexporten kritisch worden doorgelicht. Een waakhondfunctie die het Europees parlement, met zijn beperkte bevoegdheid, niet snel zal kunnen overnemen. Bovendien bestaat het risico dat bij meer 'harmonisatie' de minimaalste gemene deler de nieuwe norm wordt. Dan zou er van een verantwoord wapenexportbeleid weinig meer overblijven.
Sommige Europese landen lijken nu eenmaal het liefst zo min mogelijk wapenexportcontrole te willen. Ook veel wapenbedrijven vinden het maar lastig. Het speelt bijvoorbeeld nu Frankrijk en Duitsland samen een nieuw gevechtsvliegtuig willen ontwikkelen ter vervanging van de Franse Rafale en de Duits/Brits/Italiaanse Typhoon. Daarbij moeten onder meer de wapenbedrijven Airbus, Thales, MBDA, Dassault en Safran een rol gaan spelen. Maar Duitsland voert een strenger wapenexportbeleid dan Frankrijk. Lastig, vind Frankrijk. Kunnen die regels niet een beetje uit het verhaal geschreven worden? Het dreigt te gebeuren nu de Europese Commissie neemt stappen tot het stimuleren van gezamenlijke Europese wapenprojecten. In de beleidsstukken hierover speelt de Common Position geen enkele rol.
De Common Position is een minimumstandaard; individuele EU landen mogen het aanvullen met eigen beleid. Voor een herziening zijn de verwachtingen niet hooggespannen. Veel landen voelen niets voor aanscherping. Men wil wel controle, maar geen beperking van de wapenexport. Dat is jammer, want de Common Position in zijn huidige vorm is beter dan niets, maar niet goed genoeg.
donderdag 22 februari 2018
Dit zeggen leden van het Europees parlement ....
Gisteren stemde de meerderheid van de
Commissie voor Industrie, Onderzoek en Energie van het Europees
parlement in met het Defensie Industrie programma van €500 miljoen
voor ontwikkeling van geavanceerde militaire technologie. Hoewel dit
wordt gepresenteerd als 'defensie' is het doel het
versterken van de concurrentiepositie en de exportcapaciteit van de
wapenindustrie. De hoop is dat het gezamenlijke Europees parlement
het programma kritischer en verstandiger zal beoordelen. Er is wel
degelijk oppositie, ook van Europarlementsleden. Nadat meer dan
142.000 Europeanen een petitie ondertekenden tegen deze subsidie voor
de wapenindustrie spraken we met verschillende leden van het Europees
Parlement. Dit is wat ze zeiden:
Martina Werner – Europees
parlementslid voor SDP Duitsland. Lid van de Parlementaire Commissie
voor Industrie, Onderzoek en Energie:
“We geven in Europa bijna 200 miljard
euro per jaar uit aan bewapening uit. Volgens mij hebben we vooral
kostenbesparing nodig in de Europese defensie-industrie. Dit
programma voor de defensiesector bevordert juist meer economische
vraag. En in plaats van over efficiëntie
en het afbouwen van dubbele structuren te spreken, wat volgens mij
nodig is en wat Pesco (Permanent Structured Cooperation, Europese
samenwerking voor veiligheid en defensie) eigenlijk zou moeten zijn,
versterkt dit programma de concurentiekracht en daarmee subsidieren
wij met de EU de groei en export van een sector die daar niet op is
aangewezen.”
Reinhard Bütikofer – Europees
parlementslid voor Groenen Duitsland. Schaduwrapporteur voor het
Defence Industrial Development Programm:
“De EU-verdragen verbieden officieel
dat de instituties geld geven aan de defensiesector. Dat is waarom de
Commissie zich probeert te verstoppen achter zijn bevoegdheid om
industriële
concurrentiekracht te bevorderen. Ik geloof dat wat ze nu doen niet
de concurrentiekracht bevordert maar een nieuwe ronde subsidies aan
de industrie uitdeelt.
We geven al veel te veel geld uit aan
de defensiesector. Als je alles bij elkaar optelt geeft Europa drie
keer zoveel uit als Rusland. Het probleem is niet dat we te weinig
besteden, het probleem is dat we het geld verspillen.
De Commissie stelt dat we wel tot 1
miljard per jaar kunnen besparen als er een minimale mate van
concurrentie zou zijn in de defensiesector. Dus vanuit het
gezichtspunt van industriepolitiek slaat het nergens op.
En ten derde zou het ook heel dom zij,
omdat de financiering moet worden weggehaald bij andere waardevolle
onderzoeksprojecten zoals 'Connecting Europe”. Dus we halen geld
dat we niet hebben uit de ene zak en stoppen het in de zak van de
defensielobby. Daar zijn wij tegen.”
Meer reacties op het kanaal van WeMoveEU
woensdag 24 januari 2018
Meer dan 142.000 Europese burgers roepen de EU op: Investeer niet in wapens
Deze week hebben
vertegenwoordigers van het Europees Netwerk tegen Wapenhandel en het
online actieplatform WeMove.EU meer dan 142.000 handtekeningen
overhandigd aan leden van het Europees Parlement en het kabinet van
EEAS (European External Action Service) voorzitster Mogherini.
Daarmee werd opgeroepen om geen Europese subsidies te geven aan de
wapenindustrie. Europees geld kan beter gebruikt worden voor
maatregelen om oorlog te voorkomen, zoals klimaatbeleid en
ontwikkelingssamenwerking. Bovendien is de Europese Unie een
effectieve 'soft power'; goed in diplomatie, onderhandeling en het
tot stand brengen van internationale verdragen. Geld investering in
onderzoek naar nieuwe wapens draagt niet bij aan vrede en veiligheid,
en nieuwe wapentechnologie zal leiden tot nog meer wapenexport. Het
idee dat Europese wapenfinanciering zal leiden tot minder 'doublures'
in wapenproductie (er worden binnen Europa meerdere types van
dezelfde wapensystemen ontwikkeld en geproduceerd, wat economisch
inefficient is) lijkt nogal onwaarschijnlijk. Het is een politieke
keuze van nationale lidstaten om een eigen wapenindustrie in stand te
houden (Nederland kiest bijvoorbeeld voor een sterke nadruk op
marine-industrie) die niet is ingegeven door economische motieven.
Pas als binnen Europa meer gezamenlijke visie op vrede en veiligheid
wordt ontwikkeld, kan worden gekeken naar welke middelen
daarvoor nodig zijn. Geld geven aan de wapenindustrie zonder
politieke inbedding is fijn voor de wapenindustrie, maar helpt het
Europese vredesbeleid niet verder. Europese burgers moeten bij dit proces betrokken worden.
Het Europees Netwerk tegen Wapenhandel
heeft een online informatiemodule ontwikkeld met achtergrondinformatie over de EU subsidies voor wapenproductie.
donderdag 7 december 2017
Oproep EU wapenembargo naar Saoedi-Arabië; leveranties gaan door
Vorige week nam het
Europese Parlement met 539
stemmen voor en 13 tegen (81 onthoudingen) een
resolutie aan die de hoge vertegenwoordiger
van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid omslachtig
aanspoort een proces te beginnen om te komen tot een wapenembargo
tegen Saoedi-Arabië.
Eerder circuleerde
een concept
resolutie. Die tekst deed zijn naam meer eer
aan; ze was een stuk resoluter. Ze ijverde voor een wapenembargo naar
Saoedi-Arabië en haar bondgenoten in de strijd tegen Jemen. Die
coalitie bestaat uit Marokko, Egypte, Jordanië, de VAE, Koeweit,
Qatar, Bahrein en Soedan (de VS neemt op afstand deel). Deze
concepttekst luidde:
Het Parlement:
“levert felle kritiek op de intensieve wapenhandel die
lidstaten, zoals het VK, Spanje, Frankrijk en Duitsland, bedrijven
met diverse landen in de regio; dringt aan op de onmiddellijke
stopzetting van wapenleveringen en militaire steun aan Saudi-Arabië
en zijn coalitiepartners; roept de Raad nogmaals op een EU-embargo op
de uitvoer van wapens naar Saudi-Arabië in te stellen, gezien de
ernstige beschuldigingen van schendingen van het internationaal
humanitair recht door Saudi-Arabië in Jemen, en gezien het feit dat
het blijven verlenen van vergunningen voor wapenverkoop aan
Saudi-Arabië dus in strijd is met Gemeenschappelijk Standpunt
2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 ”
Opmerkelijk genoeg
werd er met vingers gewezen naar Duitsland, Frankrijk, Spanje en het
Verenigd Koninkrijk. Altijd goed om boosdoeners bij naam te noemen,
maar diplomatiek is het niet. Dat verdween dan ook uit het
eindresultaat. Belangrijker: ook inhoudelijk valt er wel wat op af te
dingen. Er zijn een aantal leverende landen vergeten. Precies in die
week speelde
er
bijvoorbeeld een
Griekse levering. Ook de verwijzing naar de
coalitiepartners in de Saoedische oorlog verdween in de definitieve
tekst. Maar dat bijna het hele Europese parlement voorstander is van
een wapenembargo tegen Saoedi-Arabië is hoopgevend. Het
is nu aan nationale parlementen om hier uitvoering aan te geven.
Maar niet alle
wapenhandel is duidelijk zichtbaar. Bij grote militaire aankopen is
er vaak sprake van constructies waardoor afnemende landen
tegenopdrachten krijgen (participatie en/of compensatie
heet dat). Een dergelijke constructie bestaat ook bij het grootste
wapenproject van het moment: de ontwikkeling, productie en het
onderhoud van de F-35 Lightning II, nog steeds beter bekend als Joint
Strike Fighter of JSF. Alleen al voor de Verenigde Staten gaat het om
400
miljard dollar voor aanschaf en 1.000
miljard dollar om deze vliegtuigen in de lucht
te houden. Het programma
kent verschillende partnerlanden.
De wapenindustrie in
deze partnerlanden maakt delen voor het grotere systeem die vaak
elders worden geassembleerd. Soms mogen landen al deelnemen voordat
hun overheid besluit het vliegtuig te kopen. België heeft nog niet
besloten, maar het in Zaventem
gevestigde Asco is al wel beloofd dat het
delen van de vleugelkleppen voor de F-35 mag maken.
Deze worden dan geleverd aan Fokker GKN in Nederland, die ze
verwerken in de vleugelkleppen zelf. Daarna gaan ze naar Lockheed in
de Verenigde Staten, waar ze worden bevestigd in F-35's voor het
Pentagon, maar ook voor de export.
Die
exportbestemmingen zijn de partnerlanden in het Lockheed
F-35 programma en daarnaast een groeiend
aantal klanten in de wereld. Toeleveranciers in alle negen
partnerlanden (Australië, Canada, Denemarken, Italië, Nederland,
Noorwegen, Turkije, VS en VS) produceren onderdelen voor alle
vliegtuigen, niet alleen voor het eigen land. F-35 onderdelen worden
geëxporteerd en dus is wapenexportcontrole aan de orde.
Dat het programma
wrikt met het EU
Gemeenschappelijk Standpunt is al snel
duidelijk, alleen al omdat Turkije tot de negen behoort. Ankara staat
bekend om zijn regelmatige inzet van gevechtsvliegtuigen in de
luchtruim
van buurlanden en tegen
de Koerden (zowel tegen militaire als civiele
doelen). Onlangs werd de Turkse deelname om heel andere redenen aan
de kaak gesteld. Dat was omdat het
luchtverdedigingsraketten kocht in Rusland, en dat wordt door de NAVO
om een aantal redenen als onwenselijk beschouwd. De positie in het
F-35 programma werd door de Verenigde Staten als pressiemiddel
gebruikt in een poging Turkije van de Russische aankoop te laten
afzien. Maar de betrokkenheid van Turkije is ook vanuit
mensenrechtenoogpunt controversieel. Zo vroegen de Duitse
Linke om een totaal verbod op wapenleveranties
aan Turkije, net als de Grünen
tijdens de inmiddels afgebroken Jamaica-coalitie onderhandelingen.
Naast
partnerlanden zijn er ook nog landen die de F-35 kopen binnen het
Foreign Military Sales (FMS) programma van de VS, waaronder Israël.
Net als Turkije is Israël allerminst terughoudend als het gaat om de
inzet van gevechtsvliegtuigen tegen buurlanden zoals Syrië en in
'interne' kwesties zoals de regelmatig voorkomende bombardementen van
Gaza.
Landen die
geen partner zijn of niet deelnemen in FMS kunnen de
gevechtsvliegtuigen kopen als normale klanten. België, Finland en
Duitsland lijken geïnteresseerd. En recent
vertelde de ondercommandant van de Amerikaanse luchtmacht, generaal
Stephen Wilson, aan tidschrift
Flight Global dat de VS in de Golf rondkijken naar potentiële
klanten voor de F-35. Gedacht wordt allereerst aan de Verenigde
Arabische Emiraten. “Dat betekent dat gesprekken gaande zijn met de
Regering [Trump] rond de verkoop van de F-35 naar bondgenoten die ze
nodig hebben en willen hebben.”
Ook Bahrein, het autoritaire
schiereilandstaatje dat met een dam is verbonden met Saoedi-Arabië,
wordt gezien als een potentiële klant voor de F-35. In Amerikaanse
militaire tijdschrift Defense
News wordt gesteld dat ze de
verouderde F-5's and F-16's van de Bahreinse luchtmacht kunnen
vervangen (ook al is deze vloot net voorzien van verse
gevechtsvliegtuigen in een
deal ter waarde van 3,8 miljard dollar).
Bahrein en
de VAE nemen beide deel in de coalitie die onder leiding van
Saoedi-Arabië oorlog voert in Jemen. Ze zijn daar beiden betrokken
bij luchtmachtoperaties. Bahrein verloor in
december 2015 zelfs een gevechtsvliegtuig. De Emiraten
brachten recentelijke het
bericht naar buiten dat twee piloten zijn
gesneuveld: “Ze stierven bij het doen van hun plicht tijdens hun
inzet in Jemen.”
Hoewel de
rampzalige gevolgen van de Saoedische luchtoorlog voor de
Jemenitische bevolking en infrastructuur algemeen bekend is, wordt
zelfs gedacht aan de verkoop van de F-35 aan Riyad. “De VS zou
zelfs overwegen de F-35 aan de Saoedisch te verkopen als die geen
gevaar zijn voor Israël.” aldus Simon
Henderson, directeur van het Gulf and Energy Policy Programme van
het Washington Institute. Ook bij de verkoop aan de VAE wordt de
impact voor Israël bekeken. Flight
Global stelt: “Israëlische bezwaren kunnen een mogelijke
verkoop van de F-35 aan de VAE verhinderen.” Het
is opvallend dat bezwaren vanuit Jeruzalem doorslaggevend zijn bij
het wel of niet leveren aan de Golfstaten, terwijl deze staten
notabene oorlog voeren in Jemen.
Het
Europese
Parlement heeft al
eerder
resoluties
aangenomen waarin lidstaten worden opgeroepen een wapenembargo tegen
Saoedi-Arabië in te stellen vanwege de oorlog in Jemen. De situatie
is sindsdien alleen maar verslechterd. Enkele EU lidstaten hebben een
terughoudend beleid en leveren niets tot bijna niets aan het regime
in Riyad. Maar zelfs deze landen kunnen ongemerkt onderdelen leveren
die worden ingebouwd in gevechtsvliegtuigen voor de Saoedische
oorlogscoalitie. De VS steunen openlijk de gevechtshandelingen door
het bijtanken
van bommenwerpers in de lucht, en zijn bereid F-35's te leveren.
De landen die 'slechts' onderdelen leveren doen alsof hun neus bloed.
Belangrijke
EU lidstaten produceren voor de F-35 (zie
voor een tabel met meer details) en nemen
volgzaam het Amerikaanse wapenexportbeleid over. En het zijn
niet alleen de F-35's die aan de regio verkocht worden. Frankrijk
verkoopt het Rafale gevechtsvliegtuig. Het
Brits/Duits/Italiaans/Spaanse Eurofighter
(EFA) consortium verkoopt gevechtsvliegtuigen aan de Saoedi's
alsof er geen wapenexportbeleid bestaat. De Britten nemen daarvoor de
politieke fall out voor hun rekening terwijl in
iedere Eurofighter ook Italiaanse, Duitse en Spaanse onderdelen
zitten.
Volgende
week is een wapenbeurs in Koeweit. Onder meer Damen,
een van de grootste Nederlandse wapenfabrikanten, zal daar aanwezig
zijn. De organisatie van de tweejarige Gulf
Defense & Aerospace Exhibition meldt trots dat beurs dit jaar
groter is dan
http://www.gdnonline.com/Details/296957/Kuwait-defence-exhibition-grows-in-size
de voorgaande editie. Ook
Lockheed en Eurofighter
Jagdflugzeug GmbH
zijn aanwezig. De Britten houden het bij een afvaardiging van MBDA,
zodat je de Europese raketten voor de vliegtuigen kan bekijken.
Een resolutie in het Europees Parlement om wapenexporten te stoppen
vanwege een wrede oorlog klinkt hol als leveranties en exportpromotie
gewoon doorgaan. De EU zou zijn democratische organen en zijn
mensenrechtenbeleid serieuzer moeten nemen.
donderdag 16 november 2017
Maakt 'PESCO' Europese defensie efficiënter?
In sneltreinvaart heeft de Europese
Unie het afgelopen jaar een gezamenlijk defensiebeleid ontwikkeld en
ingevoerd, een ‘permanent gestructureerde samenwerking’ (PESCO).
Op 13 november hebben ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie
hun handtekening gezet onder
een verdrag dat tot doel heeft “gezamenlijk
defensiecapaciteiten te ontwikkelen en beschikbaar te maken voor
militaire operaties van de EU. Hiermee wordt de geschiktheid van de
EU als veiligheidspartner verbeterd, hetgeen tevens bijdraagt aan de
bescherming van Europeanen en aan het optimaliseren van de
effectiviteit van defensie-uitgaven.”
Binnen PESCO worden verschillende zaken
tegelijk geregeld. De krijgsmachten van EU lidstaten zeggen toe meer
te gaan samenwerken, waardoor ze ook beter in staat zullen zijn tot
gezamenlijk Europees optreden. Nederland werkt onder meer intensief
samen met de Duitse
landmacht en heeft een gezamenlijk commando met de Belgische
marine. Een ander onderdeel van PESCO is dat wapens vaker door
lidstaten gezamenlijk moeten worden ontwikkeld en aangeschaft, omdat
juist het ontwikkelen van nieuwe wapens erg duur is, en het
effectiever is die onderzoeks- en ontwikkelingskosten slechts eenmaal
uit te geven. De lidstaten committeren zich met PESCO tevens aan een
regelmatige verhoging van hun militaire uitgaven en aan het streven
een benchmark van 20% van die uitgaven te besteden aan nieuwe
wapenaankopen. Voor uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling van nieuwe
wapens wordt een benchmark van 2% van het defensiebudget van
lidstaten ingevoerd.
PESCO sluit nauw aan bij de
ontwikkeling van een Europees
Defensiefonds, waarvoor de plannen op dit moment uitgewerkt
worden. Via dit fonds moeten de EU en lidstaten vanaf 2021 jaarlijks
zo'n 5,5 miljard euro in onderzoek, ontwikkeling en verwerving van
nieuwe wapens gaan steken.
De meeste mensen zullen geen bezwaar
hebben tegen een zo efficiënt mogelijk gebruik van defensie-uitgaven
en materieel. Maar wat op 13 november in Brussel is getekend door de
defensieministers gaat wel wat verder dan dat. Met hun handtekening
hebben onze ministers Nederland verplicht tot aanschaf en investering
bij de wapenindustrie. Nederland mag zijn defensie-uitgaven volgens
dit verdrag ook niet meer verlagen. Ook moet Nederland verplicht
jaarlijks forse wapenaankopen doen. Of ze zich daar aan gaan houden is een tweede.
PESCO moet leiden tot efficiëntere
besteding van defensiegeld door gestandaardiseerde Europese
wapenproductie en wapenaanschaf, ter ondersteuning van de Europese
slagkracht. Maar daarvoor moeten vreemd genoeg wel de
defensiebudgetten omhoog. Toegegeven, de Amerikanen geven veel meer
uit aan hun krijgsmacht. Er is alleen geen enkele reden om het bizar
hoge Amerikaanse defensiebudget ten voorbeeld te nemen.
Of de soep allemaal zo heet wordt
gegeten als Brussel hem nu opdient is trouwens de vraag. In het
regeerakkoord heeft Nederland al bij voorbaat een onderdeel van het
nu getekende verdrag afgezwakt. In paragraaf 4.2 van het
regeerakkoord staat: ”Nederland houdt zich (…) nadrukkelijk het
recht voor om bij aanbestedingstrajecten op het gebied van defensie
de hiervoor relevante bepaling van het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie (art. 346) ruimhartig te interpreteren vanuit
het perspectief van nationaal veiligheids- en economisch belang.”
Met andere woorden: de Nederlandse wapenindustrie blijft voorrang
houden bij aanbestedingen. Aanbesteden volgens Europese regels, wel
ingevoerd op onwaarschijnlijke terreinen als jeugdzorg en thuiszorg,
blijft de wapenindustrie vooralsnog bespaard.
Ook andere landen zullen hun eigen
wapenindustrie niet snel op een vrije Europese markt laten
concurreren. Een recent voorbeeld: in de militaire pers wordt
geschreven over voorstudies voor een Europees
luchtverdedigingsfregat. Het moet een samenwerkingsproject
worden tussen Frankrijk en Italië die samen de schepen en
raketten zullen bouwen. Een belangrijk en duur onderdeel van deze
marineschepen zou de geavanceerde radar moeten worden die
vijandelijke raketten kan opsporen en eigen raketten naar een doel
kan leiden. Europese landen gebruiken hier nu meestal de
radartechnologie van de Amerikaanse wapengigant Lockheed Martin voor,
het Aegis systeem. Er is slecht één
ander westers wapenbedrijf dat vergelijkbare technologie levert, en
dat is Thales in Hengelo. Thales ontwikkelde de SMART-L radar, door
Nederland gebruikt op door scheepswerf Damen gebouwde
luchtverdedigings-
en commadofregatten (LCF), en geëxporteerd naar onder meer
Engeland, Frankrijk, Duitsland en Zuid-Korea. Het zou logisch zijn
als Frankrijk en Italie voor hun nieuwe fregat de al bestaande
Thales-radars zouden uitkiezen, Thales is bovendien gedeeltelijk in
Franse handen en beursgenoteerd in Parijs. Maar de Italianen pleiten
sterk voor een systeem van Leonardo (voorheen Finmecannica). Want ook
voor de Italianen geldt: eigen wapenindustrie eerst. Alle Europese
broederschap ten spijt, er blijft sprake van sterke onderlinge
Europese concurrentie.
Het nu getekende PESCO verdrag richt
zich op meer wapens en militaire capaciteit voor de EU. De
wapenindustrie vaart daar wel bij, maar of het bijdraagt aan vrede en
veiligheid is de vraag. De EU zou beter meer werk kunnen maken van
zijn unieke 'soft power' capaciteit als diplomatie,
conflictbemiddeling en vredesopbouw. Binnen het EU budget is dat een
marginale post, zeker in vergelijking met de budgetten die nu voor de
wapenindustrie worden begroot.
donderdag 31 augustus 2017
Geld voor vredesopbouw naar militaire training?
De Europese Commissie (de hoogste Europese ambtenaren die het meeste
EU beleid voorbereiden) heeft voorgesteld om het budget voor het
financieren van civiele vredesinitiatieven open te stellen voor de
financiering van militaire training en uitrusting van ‘partnerlanden’.
Het “Instrument contributing to Stability and Peace” kortweg IcSP is in
2014 ingesteld om projecten voor vredesopbouw, conflictpreventie,
demilitarisering en democratisering te steunen. Het fonds heeft een
budget van 2.338 miljoen euro voor de periode 2014-2020. Als uit dit
fonds ook militaire activiteiten betaald moeten gaan worden blijft er
voor de veelheid aan doelstellingen nog minder over. De Commissie heeft
wel voorgesteld het fonds met 100 miljoen te verhogen om de introductie
van militaire activiteiten te helpen financieren, maar ook dat geld zal
bij andere budgetten moeten worden weggehaald.
Hoewel het plan de aankoop van wapens en munitie door partnerlanden
uit dit budget uitsluit is er een ‘grijze zone’ van militaire
technologie en infrastructuur waar de wapenindustrie van kan profiteren.
De Europese lobbyorganisatie van de wapenindustrie, de ADS, heeft dan
ook positief op het plan gereageerd. De Duitse ontwikkelingsorganisatie
Brod fur die Welt schrijft: Al jaren wordt geld uit
ontwikkelingsbudgetten dat is bedoeld voor armoedebestrijding ingezet
voor de opvang van vluchtelingen in Europese landen. Nu wil men dit geld
ook nog eens gaan gebruiken voor militaire activiteiten. Op die manier
blijft er weinig over om iets te doen aan de oorzaken van conflicten.
Wie die partnerlanden precies zijn en voor welke doeleinden er
gefinancierd zou moeten worden is niet nader uitgewerkt, maar de
Europese Raad (de gezamenlijke regeringen van de lidstaten) heeft met
het voorstel ingestemd. Na de zomer moet het Europees Parlement erover
oordelen.
donderdag 15 juni 2017
Maak bezwaar tegen EU-financiering voor militaire onderzoek
Op 7 juni heeft de Europese Commissie een “Defensie Industrie
Ontwikkeling Programma" voorgesteld, dat 500 miljoen euro uit de
EU-begroting hapt in 2019-2020, om de ontwikkeling van nieuwe wapens en
militaire technologie te financieren. Het geld gaat rechtstreeks naar de
wapenindustrie. Dit komt bovenop de 90 miljoen euro die al in 2017-2019
voor militaire onderzoek is gereserveerd.
De regeringen van EU
lidstaten en het en Europees parlement moeten voor het einde van het
jaar over deze nieuwe financiering beslissen.
Geef uw mening over dit voorstel voor 7 augustus
Het Europees Netwerk tegen Wapenhandel probeert via alle mogelijke
kanalen bezwaar te maken tegen deze plannen. De Europese Commissie geeft
de mogelijkheid om online feedback te geven. Omdat alle kleine beetjes
helpen vragen wij uw steun.
Elke reactie is belangrijk!
HOE:
U kunt bij de Europese Commissie online feedback geven op het plan, in
maximaal 4000 lettertekens. Het Europees Netwerk tegen Wapenhandel heeft
een standaard feedback tekst ontwikkeld dat u kunt gebruiken of naar
believen aanpassen, of u schrijft een eigen tekst. U vindt de standaard feedback tekst hier.
Dan moet u naar de speciale webpagina van de Europese Commissie voor de feedback van burgers: http://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/initiatives/com-2017-294_nl
U ziet de juridische teksten die dit Defence Industrial Program
voorstellen, en als u naar beneden scrollt, ziet u de knop 'Geef uw
feedback'.
Als u op de knop drukt, moet u zich registreren onder het "EU Login"
-systeem. Dat is wel een beetje een gedoe, maar het is een standaard
registratiesysteem en levert u geen spam op. Dan krijgt u toegang tot de
feedbackpagina: u kunt uw feedback geven in elke EU-taal. U hoeft
alleen uw feedback in het beschikbare tekstvak te plaatsen. U kunt uw
bijdrage onder eigen naam of 'anoniem' plaatsen (alle reacties zijn
openbaar).
Lees hier meer over het EU-voorstel in het (engelstalige) persbericht hier
Abonneren op:
Posts (Atom)







